Eerst proeftuinobservaties

    Danielle Jansen
    • Iedereen (publiek zichtbaar)
    Door Danielle Jansen in de groep Werkgroep Communicatie 305 dagen geleden

    Eerste observaties werkgroep proeftuinen Maak verschil (medewerkers BZK, VNG, IPO), november 2016

    Op initiatief van BZK, VNG en IPO zijn zes proeftuinregio’s ‘Maak verschil’  gestart: Noordoost Fryslân, Metropoolregio Amsterdam, regio Eindhoven, regio Zwolle, Drechtsteden en Zeeland. De regioteams van deze proeftuinen zijn vanaf de zomer van 2016 op stoom gekomen en organiseren per regio verschillende activiteiten om de aanbevelingen die beschreven staan in het rapport  ‘ Maak verschil’  uit te werken aan de hand van de praktijk van regionaal economische samenwerking.

    In november 2016 zijn de algemene observaties van de zes proeftuinen verzameld. De verschillende thema’s zijn:

    • Cultuur startpunt
    • Blijvend investeren in het inhoudelijke programma
    • Wendbaarheid regio
    • Mensen maken het verschil
    • Wetgeving sluitstuk
    • Van legitimeren naar betrekken
    • Evenwicht tussen prikkelen en verevenen
    • Verschil blijven maken na maart 2017 

    CULTUUR STARTPUNT

    • Voor het doen slagen van een regionaal economische samenwerking is de aansluiting op de cultuur (regionaal èn lokaal!) doorslaggevend. Het is de grond, de basis en dat betekent dat de cultuur (meer) het startpunt moet zijn voor het bouwen of intensiveren van de samenwerking; structuur en processen vloeien er als het ware uit voort.
    • Cultuur bepaalt wat ‘de regio’ is. Wat verbindt de mensen die een regio vormen? Dit lijkt door te werken naar de soort samenwerking die tot stand komt. Lokale opgaven zijn daarop van invloed.
    • Het kost vaak tijd om erachter te komen wat je met elkaar wilt bereiken en op welke manieren je iets aan elkaar hebt. Tot een effectieve samenwerking komen kost dus ook tijd. 

    BLIJVEND INVESTEREN IN HET INHOUDELIJK PROGRAMMA

    Een goed inhoudelijk regionaal programma werkt, maar is niet vanzelfsprekend:

    • Het moet de koers zijn waar draagvlak, commitment en vertrouwen voor is. Een programma dat doorleefd blijft door er aan vast te houden, het met de tijd te vernieuwen en constant te blijven zoeken naar draagvlak. Een blijvend proces in plaats van een eenmalige actie die verwordt tot ‘papieren werkelijkheid’ en waarmee als vanzelf de roep om een nieuw plan ontstaat.
    • Er is een goede analyse nodig van wat de regionale (economische) opgaven zijn en hoe deze veranderen. Nog te vaak lijken opgaven zonder echte analyse (politiek-bestuurlijk) te worden geagendeerd. Is er een helder antwoord op de vraag ‘Waarom?’
    • Het belang van een gezamenlijke inzet van overheden, ondernemers en kennisinstellingen (triple helix) wordt breed erkend. Er is overwegend wil en bereidheid toe. Het gaan doen en tot gezamenlijke investeringen komen is echter een uitdaging. In veel regio’s ligt het initiatief en de sturing primair bij overheden. Overheden geven mogelijk nog te weinig ruimte, maar tegelijk hebben ondernemers en kennisinstellingen moeite om zelf betekenisvolle stappen te zetten. Er wordt nog veel naar elkaar gekeken in plaats van samen te doen.
    • Een programma lijkt te werken als het voldoende concreet is en aansluit op een gezamenlijk gevoel van urgentie.
    • Er zijn altijd redenen om te wachten of niet te gaan doen. Start en zorg snel voor de eerste successen die het vliegwiel kunnen zijn voor een bredere inzet.

     WENDBAARHEID REGIO

    • Elke opgave kent een ander schaalniveau. ‘De regio’ bestaat niet. De ruimtelijk- en sociaal-economische dynamiek valt niet te vangen in bestuurlijke congruentie. Dat brengt spanningen met zich mee, omdat regio’s bestuurlijk vaak gekozen hebben voor een ‘vaste schaal/structuur’. Per se willen vasthouden aan deze structuur kan een wendbare, opgavegerichte aanpak in de weg staan.

    MENSEN MAKEN HET VERSCHIL, ACTIES BLIJVEN NOG UIT

    • De mensen in het openbaar bestuur maken het verschil. Het samenspel tussen bestuurders, volksvertegenwoordigers en ambtenaren is bepalend voor de regionale samenwerking. Alle drie de groepen kunnen in positieve of negatieve zin het verschil maken; ze beïnvloeden en inspireren elkaar. Ondanks brede erkenning voor het belang van de ‘factor mens’ zijn er grote verschillen waarneembaar in beschikbare capaciteit en kwaliteiten in regio’s. Daar gaat aandacht naar uit, maar het ontbreekt aan actie. Het is een moeilijk ‘beet te pakken’ vraagstuk, maar het is ook van belang dat het niet bij intenties en mooie woorden blijft. 

    WETGEVING SLUITSTUK, GEEN EXCUUS OM TE WACHTEN

    • Organieke wetgeving en de mogelijke herziening daarvan vormen een mogelijk sluitstuk van de samenwerking. Effectieve samenwerking is in eerste instantie niet afhankelijk van deze wetgeving. Wetgeving mag dan ook geen excuus zijn om als regio te wachten om stappen vooruit te gaan zetten.
    • Laat onverlet dat -als de praktijk er aanleiding toe geeft- gekeken moet worden of organieke wetgeving aangepast dient te worden. Concrete belemmeringen in organieke wetgeving zijn in de proeftuinen weliswaar nog beperkt aan de orde geweest, maar de beeldvorming blijft bestaan dat deze wetgeving hinderend kan zijn, vooral in de fase van uitvoering.

    VAN LEGITIMEREN NAAR BETREKKEN

    • Nog teveel lijkt er een onderscheid te worden gemaakt tussen de intern gerichte wereld van ‘bestuur en ambtenarij’ en de externe wereld van ‘verantwoorden/legitimeren’. Veelgehoord: ‘En, hoe betrekken we nu dan de raden en staten? En het bedrijfsleven?’ Veelal wordt er dan een ‘aparte’ bijeenkomst georganiseerd om hen ‘mee te nemen’ en ‘bij te praten’. Het zou kunnen helpen om vanaf het begin volksvertegenwoordigers, burgers, bedrijven en kennisinstellingen mee te laten doen met het maken van de regionale samenwerking. De toegevoegde waarde van deze partijen lijkt te worden onderschat, terwijl veel mensen het regionale verhaal onderschrijven en belangrijk vinden. In plaats van ‘legitimeren’ of toestemming vragen voor wat al besloten is, gaat het om het betrekken bij wat er (later) te besluiten valt. Een dergelijke aanpak organiseren en communiceren is van essentieel (en nog onderschat) belang.

    EVENWICHT TUSSEN PRIKKELEN EN VEREVENEN

    • In Maak verschil wordt een herziening van de financiële verhoudingen bepleit, gericht op vereenvoudiging van het systeem en een verdeling van middelen die gericht is op het prikkelen van regionaal-economische samenwerking en differentiatie in regionale opgaven. Dit zou vorm moeten krijgen in samenhang met een ruimer lokaal belastinggebied. Het debat over de vraag in hoeverre er financieel instrumentarium voor het bevorderen van regionale samenwerking moet komen is volop gaande. Gesproken wordt over de introductie van een prikkel om de opbrengsten van regionale samenwerking/investeringen ten goede te laten komen van de regio. Dit roept gelijk de vraag op wat het betekent voor regio’s die vanwege hun economische situatie niet van dergelijke revenuen zouden kunnen profiteren.
    • Idealiter zou er een evenwicht ontstaan tussen enerzijds economisch prikkelen en sociaal verevenen.
    • Dergelijke keuzes zijn politiek en vergen nader inzicht in hoe financiële mechanismen en instrumenten werken. Er is een hoge mate van complexiteit, te meer reden om de problematiek scherp in beeld te brengen alvorens tot oplossingen te komen. Daarbij zouden ook de mogelijkheden buiten de Nederlandse publieke sector betrokken kunnen worden, zoals de inzet van private en/of Europese middelen.

    VERSCHIL BLIJVEN MAKEN NA MAART 2017

    • Het is nog zoeken naar de manier waarop een goed vervolg aan de proeftuinen kan worden gegeven. Dat er een vervolg zou moeten komen is voor de meeste betrokkenen helder, maar hoe? Gaan we aan de slag met meerdere/alle regio’s in Nederland? Hoe krijgen de huidige proeftuinen daarin een plek? Deze openstaande vragen leggen druk op het lopende proces.
    • Van belang is om in gesprek te blijven over de opgaven en het type samenwerking dat het vraagt van verschillende partijen. Cruciaal zijn de mensen die het doen en van hen wordt reflectief vermogen gevraagd: zelfkennis en ruimte voor kritiek (loskomen van deelbelangen).
    • Tegelijk is het nodig om Maak Verschil concreet, strategisch en politiek te maken. Waar zullen de verschillen in worden gemaakt en hoe gaan we om met de lobby van regio’s?
    • Tot nu toe is het traject vrij intern (in Den Haag, van overheden) gebleven. Weinig stakeholders zijn betrokken, terwijl het interesse wekt in het land. Hoe maken we Maak Verschil meer tot breder gedragen (nationaal) gedachtegoed?